Kijk. Schrijf een gedicht.



Kijk. Schrijf een gedicht. Het is

net zo makkelijk als leven.

Je mag kiezen. Je kan alles.

Doe wat je wilt


en nog meer. Zelfs wat je niet wilt

kan je doen. Als je wilt.

Doe het maar. Het wordt er slechter

van of niet. Zeggen sommigen.


Of beter. Luister niet naar anderen.

Schrijf liever. Bijvoorbeeld:


Ik luister niet.

Ik schrijf een gedicht. 

Het concours


Met de fanfare trekken wij

naar Nieuwe Niedorp waar

het weiland eindigt, op de akker-

rand die zwarte vogels voedsel

zoeken.


Daar is het dorpscafé. In maan-

beschenen "Amstel Bier" rookwolkt

de deur die opengaat voor rode

mannen bugels tuba's blauw-

gebroekte vrouwen.


Hoog gaan de instrumenten in en

uit. Het podium kraakt. Vaag zet

de jury tekens in hun vakken

oordelend over klanken en

gedachteloos fouten vellend.


Nooit ben ik liever bij je dan

op dat moment: de dirigent,

hij heft zijn handen en ons bloed stremt

zacht als melk van aandacht en

verlangen en ik smelt in jou en

dan begint het


grote leven op de koperen muziek,

maten wisselen als noten

balken kruisen tekenen

verschuiven in hun jacht gehoord

te worden. Zo stemmen wij te over

met elkaar.


Dan sluit het slotakkoord ons juichend

in zijn armen. Ze staan. "U hebt

gewonnen". De vermoeidheid tilt ons

naar de bar, de dirigent

omstuwd door trompetvrouwen.


Hij ziet met verre blik die zwarte

vogels, denkt alweer aan nieuwe

expedities: aan Middenmeer,

Langedijk, aan Burgerbrug misschien

zelfs Medemblik.


december


doodse zon de maan

klaagt over alles

dagen vallen in de

hinderlaag van tijd


wij kinderen van verlaten

bomen verslapen onze

afwezigheid geen

hand ten afscheid


de kamer verdaagt geluid

vuur smelt tot as

doof zien wij hoe de

tijd is afgezet

Evangelie


Er waren hoge bomen waar

grote ruwe vogels in nestelden.

Soms gooiden zij een jong naar beneden.


De wolken braken van hun geschreeuw.

De zon was al niet veel beter, scheen

groter en valer te zijn dan met Pasen.


Hij trok zich niets aan van ons roepen,

was verleidelijk, onzinnig uitgedost voor

weer een feest, het licht hielp ons niet.


Wij waren beneden, gevangen in ons rare leven,

anderen lachten om ons, was de deur niet

gesloten geweest, wij hadden geen


uitgang gekend. Maar nu riepen wij,

keken hemelwaarts, vroegen om nog

een jong, waren al half moedeloos.


Er scheen ook licht van buiten, anders

dan ik niet kon vermoeden of vrezen,

of ooit zou dromen. Maar ontwaakt


was de lente binnen geslopen.

Nooit eerder hoorde ik die vogel.

Het regende. Ik was toch gelukkig.

Dit getij


Dit getij brengt een vloed

van zwammen en bladeren.

Het vege licht strijkt alleen

maar aarzelend dunne vingers

over vertragende aarde


Alles draait. Dingen schuiven.

Misschien hoor ik een dier.

Niets weet ik. Geruchten sta-

pelen zich op. Ik kan ook

gaan slapen.


Ik loop met kleine donkere

stappen. Blad en aarde, water.

Ruimte maakt zich om mij

groot. Licht wekt mij en handen.

Ik was niet bang.


Behalve


Die dag: knisperend licht.

Alles is nieuw. Bomen rechtop,

fiere vogels, maar toch


er valt een zwijgen, tonen breken,

achter de huizen lijkt een

geluid op te doemen, ongehoord.


Wie kent de woorden achter

alles wat niet of wel?

Soms verlaat men elkaar.


Alles is. Alles eindigt.

Alles begint. Alles leeft.

Niets is zeker. Behalve.

Inval


De nacht valt achteloos, 

maar bomen worden kaal, wolken oker,

honden huilen. Dan komen zij,


die mannen, niet te ontkennen,

vrouwen met verdroogde handen,

op schepen uit vreemde dreven.


Zij maken van mensen brand, vreten

het vee, werpen doodsdolken rond,

slaan palen tot hun grenzen.


En wij, wij halen kastanjes uit vuur,

zogen kinderen, behoeden eieren, 

slaan appels tot moes. Wij zijn waard 

het sop dat wij nu willen drinken. 


Maar wij weten, dat zij moeten

weggaan, dronken en lachend. 


Dan warmen wij ons weer 

aan de honden en elkaar. 

Wij blijven hier angstig huizen.

gepubliceerd in Meander

gepubliceerd in Schoon Schip

Îles flottantes



het eiland waar ik was

dreef langzaam weg

ik zag het land trillend

ten onder gaan


de zee werd zwaar en zwart

er zwommen haaien langs het strand

en boten zonken ver van vaste grond


en zonder mij te keren

wist ik hoe achter mij in

harde zeegang andere eilanden

op drift waren geraakt


ik die vol ongeloof alles zag

stromen en vervloeien

en alle vastigheid wist

losgeslagen


ik sprong in zee

de haaien bleken vrienden

de zee de moederschoot

waarin ik veilig wacht

op mijn verlossing

gepubliceerd in SLA|Avier

Op de snelweg



Het was druk op de A1

naar Amersfoort.


Links werd ik ingehaald

door de werkelijkheid.

Een vuige leugen trachtte mij

rechts te passeren.


Soms ging ik op mijn rem staan

om beter zicht te krijgen

op hen die mij voorgingen.


Na Baarn slaakte ik

mijn banden en vloog verder,

laag over het asfalt.


In Amersfoort verschanste

ik mij achter schermen van geluid.


Daar liet ik mij langzaam

vollopen.


Alles weer normaal.